carton 58-64

Werkplaats van Dirck Crabeth, Gouda, 1556-1559

De zeven cartons voor de gebrandschilderde ramen van het voormalige Regulierenklooster aan de Raam in Gouda zijn waarschijnlijk tegelijkertijd met de glazen gespaard gebleven. De toenmalige prior van het klooster, Wouter Jacobsz., tekende in juni 1573 in zijn dagboek op dat hij had vernomen ¥[Ö] dat mede die glazen van ons convent al uuytgesmeten waren, met verder bederfnisse van al wat daer mocht wesen, principael die kercke aengaende.í Dat dit een misvatting was, blijkt wel uit het contract dat het stadsbestuur, inmiddels eigenaar van het klooster, op 8 februari 1580 aanging met de aannemer die het klooster moest afbreken. Daarin wordt gesteld dat de aanwezige glazen moesten worden gespaard. In hetzelfde jaar kreeg Jan Woutersz glaesmaker de opdracht de uitgehaalde panelen te integreren in de vensters 20 en 21 in de Sint Janskerk. Op die plaats waren zij te zien tot hun restauratie 1922, en in 1934 werden zij in de speciaal voor de reeks gebouwde Van der Vormkapel geÔnstalleerd. Bij de vorm van de nieuwe ramen is rekening gehouden met de afwisselende beÎindiging van de cartonstroken boven, hetzij met een spitsboog (nrs. 58-60, 63), hetzij met een halfronde boog (nrs. 61, 62, 64). Hoewel het aantal glazen van het Regulierenklooster oorspronkelijk waarschijnlijk groter is geweest en daarmee ook het aantal cartons, zijn zowel zeven glazen als zeven (incomplete) cartons overgeleverd. Beide worden traditioneel aan ëeen en discipel van Dirck Crabethí toegeschreven, als eerste door Ignatius Walvis. Dankzij Walvis zijn enkele namen van leerlingen van Dirck Crabeth bekend: ëDirk en Wouter hadden tot Discipelen gehad Jakob Caen, Adriaan Gerridsz. de Vrye, Jan Dirksz. Lonk, Govert Henriksz., Willem Jan Damansz. en Isenhout.í Van deze zes leerlingen is alleen Adriaen de Vrije bekend geworden met zijn pas in de jaren 1590 uitgevoerde glazen nrs. 1, 4, 29. Ondanks het feit dat er geen namen aan de kapelcartons verbonden kunnen worden, is de relatie op stilistische grond met het werk van Dirck Crabeth zeer duidelijk. De cartons schieten in kwalitatief opzicht wel tekort om deze aan hem zelf toe te schrijven. De zeven cartons zijn, met uitzondering van carton 61, alle op identiek papier getekend dat ook steeds hetzelfde watermerk draagt. Wat betreft de techniek kunnen twee groepen worden onderscheiden. De cartons 58, 59 en 60 zijn getekend met de rietpen en inkt met wassingen in bruin en roodbruin over een schets in zwart krijt. Een vergelijkbare techniek heeft Dirck Crabeth ook toegepast in zijn vidimussen (afb. p.*). De cartons 61 tot en met 64 zijn, net als de grote cartons van Dirck Crabeth, opgezet in zwart krijt, en sporadisch wit gehoogd. Carton 61 is iets grover van techniek dan de drie overige.

Het verschil in gebruikte technieken binnen een ogenschijnlijk samenhangende reeks zal daarmee samenhangen dat er meer medewerkers tegelijkertijd aan de cartons naar het ontwerp van Dirck Crabeth zelf werkten. Hergebruik van cartons uit diverse opdrachten lijkt uitgesloten, aangezien zij allemaal hetzelfde formaat en compositie hebben en geen tekenen van aanpassing vertonen. Het overbrengen van de glazen en de bijbehorende cartons van het klooster naar de Sint Janskerk in de periode tussen de ëkatholiekeí en de ëprotestantseí glazen in getuigt van het praktische inzicht van de kerkmeesters. De twee laatste ramen van de kooromgang waren nog immers leeg en wachtten op voorstellingen juist uit de Passie van Christus. Dat deze glazen bovendien uit het atelier van Dirck Crabeth stamden was een extra reden om ze te doen plaatsen. In die tijd was nog steeds diens broer, Wouter Crabeth, verantwoordelijk voor het onderhoud van de glazen. Met het oog op toekomstig herstel zijn tevens ook de cartons bewaard, maar niet compleet. Van de laatste drie cartons, nrs. 62-64, ontbreekt de schenkersrand, en het arket is alleen voor de cartons 62 en 64 bewaard, op de voor- en achterzijde van hetzelfde stuk papier. In de zeventiende eeuw zijn voor de glazen 20 en 21, evenals voor glas 48 in de lichtbeuk van het koor, nog nieuwe cartons vervaardigd, maar deze zijn niet meer bewaard. De glazenier Dirk de Vrije ontving op 5 november 1651 een bedrag van 25 gulden ëvoor drye patroonen van de glasen als van de passien int choor ende t glas van Mr Joost Borgoeys Öí. Naar de reden van deze opdracht kunnen wij alleen gissen, aangezien de originele cartons van alle genoemde glazen in de kerk zijn, en in 1651 moeten zij er ook al geweest zijn. Mogelijk dienden de cartons van de passieglazen om vast te leggen hoe de panelen in die twee openingen waren samengevoegd, maar zeker is dit niet. Het besluit om natekeningen van alle glazen in klein formaat op perkament te maken, viel pas later. Van de glazen 20 en 21 maakte Christoffel Pierson in 1673 en 1674 natekeningen met uitsluitend de wapenschilden in kleur, terwijl in 1723 en 1724 Julius Caesar Boethius de glazen geheel in kleur natekende. EM/ZvRZ

Bekijk het carton van dichtbij, zie details die ontwerper heeft xxxxxxxxxxxxxx:

#

Kijk rond en zie hoe groot de glazen zijn:

Details

Glas in HD #
[et_pb_popup_builder _builder_version="3.0.106" popup_source="iframe" divi_layout="146" trigger_condition="class_id" trigger_button_align="left" modal_style="1" tablet_sizes="off" mobile_sizes="off" trigger_class_id="31125" title="popup" /]