Glas 16 | Jezus eerste prediking (1556)

Koor

In de voorstelling wordt het leven van Johannes de Doper in relatie tot Jezus verder afgebeeld (Joh. 3: 22 e.v. en Joh. 5: 33-37). Op de voorgrond zien we Jezus in het paars te midden van een schare volgelingen, sommige uitgebeeld als tijdgenoten uit Gouda. Daarboven is Johannes weergegeven als de kleine opgerichte figuur, die bezig is een in de Jordaan staande bekeerling te dopen. Op dezelfde hoogte, maar geheel rechtsboven in het glas, is Johannes nog eens afgebeeld. Hij komt daar met enige volgelingen aanlopen en spreekt volgens het boven zijn hoofd weergegeven lint de woorden: “Hij moet wassen, maar ik moet minder worden”. Johannes is doelbewust kleiner in het glas dan Jezus, wat in overeenstemming is met de tekst.
Opvallend is de rivier de Jordaan weergegeven met de lichtgrijze toets van Hollandse rivierlandschappen. Ook zijn de knotwilg, de lisdodde en het riet, planten uit de omgeving van Gouda, herkenbaar. Rechts van de middenstijl ziet men een naakte man aan de waterkant zitten, zijn hoed en kleren liggen naast hem. Voordat hij in het water springt, kijkt hij om naar de vrouw achter hem, die haar rug afdroogt.
In de benedenrand Cornelis Vincentszoon van Mierop met achter hem zijn beschermheilige St. Vincentius met vuur, molensteen, scherven en vuurhaak waarop een klapwiekende raaf zit. Deze attributen van de heilige verwijzen naar zijn ondergane marteling. De raaf steekt nauwelijks af tegen de donkere muur, maar zijn feloranje oog gloeit als het ware, ook bij donker weer. De legende verhaalt hoe de raven de wilde dieren van het dode lichaam van Vincentius verjaagden, totdat zijn vrienden kwamen om hem te begraven.
De schenker knielt voor Maria, die met een opvallend fijn-menselijk gelaat is afgebeeld dat zowel devotie als moederliefde voor het Christuskind uitstraalt. Zij wordt gedragen door wolken en treedt op de maansikkel. Zij draagt een kroon met zeven sterren op het hoofd en is omringd met een stralenkrans. Daaronder de gehoornde draak als beeld van satan wiens macht door de komst van het Kind aan banden is gelegd. De voorstelling is ontleend aan de Openbaring van Johannes en werd eerder zo geschilderd door Jan Gossaert die na Antwerpen vooral in de noordelijke Nederlanden werkte. Dirck Crabeth wilde Gossaert hierin overtreffen.
Het Christuskind houdt de schenker het kruis voor. Boven en voor hem, het wapen van de familie Cuick van Mierop en onder in de cartouche zijn antecedenten.

Koor

In de voorstelling wordt het leven van Johannes de Doper in relatie tot Jezus verder afgebeeld (Joh. 3: 22 e.v. en Joh. 5: 33-37). Op de voorgrond zien we Jezus in het paars te midden van een schare volgelingen, sommige uitgebeeld als tijdgenoten uit Gouda. Daarboven is Johannes weergegeven als de kleine opgerichte figuur, die bezig is een in de Jordaan staande bekeerling te dopen. Op dezelfde hoogte, maar geheel rechtsboven in het glas, is Johannes nog eens afgebeeld. Hij komt daar met enige volgelingen aanlopen en spreekt volgens het boven zijn hoofd weergegeven lint de woorden: “Hij moet wassen, maar ik moet minder worden”. Johannes is doelbewust kleiner in het glas dan Jezus, wat in overeenstemming is met de tekst.
Opvallend is de rivier de Jordaan weergegeven met de lichtgrijze toets van Hollandse rivierlandschappen. Ook zijn de knotwilg, de lisdodde en het riet, planten uit de omgeving van Gouda, herkenbaar. Rechts van de middenstijl ziet men een naakte man aan de waterkant zitten, zijn hoed en kleren liggen naast hem. Voordat hij in het water springt, kijkt hij om naar de vrouw achter hem, die haar rug afdroogt.
In de benedenrand Cornelis Vincentszoon van Mierop met achter hem zijn beschermheilige St. Vincentius met vuur, molensteen, scherven en vuurhaak waarop een klapwiekende raaf zit. Deze attributen van de heilige verwijzen naar zijn ondergane marteling. De raaf steekt nauwelijks af tegen de donkere muur, maar zijn feloranje oog gloeit als het ware, ook bij donker weer. De legende verhaalt hoe de raven de wilde dieren van het dode lichaam van Vincentius verjaagden, totdat zijn vrienden kwamen om hem te begraven.
De schenker knielt voor Maria, die met een opvallend fijn-menselijk gelaat is afgebeeld dat zowel devotie als moederliefde voor het Christuskind uitstraalt. Zij wordt gedragen door wolken en treedt op de maansikkel. Zij draagt een kroon met zeven sterren op het hoofd en is omringd met een stralenkrans. Daaronder de gehoornde draak als beeld van satan wiens macht door de komst van het Kind aan banden is gelegd. De voorstelling is ontleend aan de Openbaring van Johannes en werd eerder zo geschilderd door Jan Gossaert die na Antwerpen vooral in de noordelijke Nederlanden werkte. Dirck Crabeth wilde Gossaert hierin overtreffen.
Het Christuskind houdt de schenker het kruis voor. Boven en voor hem, het wapen van de familie Cuick van Mierop en onder in de cartouche zijn antecedenten.

Schenkers:

Cornelis van Mierop, domproost en deken van Oudmunster te Utrecht is de schenker. Hij was de zoon van Vincent van Mierop, de bekende thesaurier-generaal van Holland. In 1541 had hij, als deken van de kanunniken van de Hofkapel, het “Maaghdeglas” geschonken aan de Grote Kerk in Den Haag (voorheen Sint-Jacobskerk). Evenals het Keizersglas aldaar van 1547 werd het ontworpen en geschilderd door Dirck Crabeth.

Samenhang:

Zie glas 9

Bijbels citaat:

“Illum oportet crescere, me autem minui.” (Hij moet wassen, maar ik moet minder worden (Joh. 3: 30)). Dit is tevens de verbindende tekst van het drieluik, de Glazen 14, 15 en 16.

Glazenier & Ontwerper:

Dirck Crabeth naar eigen ontwerp.

Maten van het glas:

Hoog 9.95 m ; breed 3.95 m.

 zie details die vanaf de kerkvoer niet waarneembaar zijn

kijk rond en zie hoe groot de glazen zijn