Glas 22 | De tempelreiniging (1567 en 1657)

Oostzijde Zuidelijk transept

Volgens Johannes 2: 13-17 verdrijft Christus hier de geldwisse- laars uit de tempel. Jezus, in een paars kleed, rode mantel en met opgeheven gesel, is de centrale figuur. Links van Hem zit- ten aan een tafel de geldwisselaar en de schaapverkoper. Op de achtergrond schuift een nieuwsgierige priester het gordijn open om te zien wat de oorzaak is van het rumoer. De kostuums van de toeschouwers bestaan uit verschillende eigentijdse elementen; zo draagt de Moorse man achter de schaapverkoper een Romeins kuras, een Spaanse broek en een Hollandse baret. Hoog boven op de balustrade zien we ook toeschouwers. Aan de voeten van de buitenste pilaren onder een schenkkan en een gouden kandelaar kunnen met een verrekijker de (niet geheel juiste) Hebreeuwse teksten gelezen worden. De linker tekst betekent: “Het graf van Zacharias” en het rechter: “Het graf van Hanania”. Ook kan men hier door een verrekijker een lantaarn- opsteker ontwaren en geheel rechts het wapen van de gebroeders Crabeth. Het Vidimus, dat in 1937 is teruggevonden, bevindt zich in het Gouds Kerkarchief.
De schenkersrand in het onderste gedeelte werd misschien in de zestiende eeuw dichtgemetseld. Het verhaal gaat, dat de Prins niet naast zijn tweede gade met wie hij een minder gelukkig huwelijk had, vereeuwigd wenste te worden. Het kan ook zijn, dat de vroedschap de beeltenis van de Prins niet wilde tonen, omdat deze in 1568 in opstand was gekomen tegen het wettige gezag. De voorstudie voor de Stichtersrand met de schenkers in knielende houding met hun naamheiligen en wapens bevindt zich in het Amsterdams Historisch museum. In 1657 heeft Daniël Tomberg de wapens van de Goudse vroedschappen erin geplaatst.
De oranjeappeltjes rond de cartouche herinneren nog aan de Prins.
Het antipaapse gedicht, eveneens van 1657, neemt duidelijk enige afstand van de humanistische en verdraagzame traditie die de negen glazen na de Reformatie (1594-1604) weerspiegelen: “Mente coli puraque Deus cupit aede profani / Este procul, facto verbere, Christus ait./ Sola patent precibus sacrati limina templi / Hinc odor, hinc pecudes, aera, columba, popae / Pontifices sic. Roma, tuos ritusque senatus / Abdicat, hoc posito stemmate signa probant. ” (God begeert dat men Hem met een zuiver hart en in een gewijde tempel zal eren / Christus, met een gemaakte gesel zegt de goddelozen aan: Ver van Zijn kerk voortaan te gaan verkeren,/ Des gewijden tempels drempels alleen voor gebeden open staan./ Van hier dan, stank, vee, geld, duiven en papen!/ Dat de Raad zo uw priesters en eredienst verwerpt / Dit, Rome, toont elk lid hier door zijn eigen wapen).

Oostzijde Zuidelijk transept

Volgens Johannes 2: 13-17 verdrijft Christus hier de geldwisse- laars uit de tempel. Jezus, in een paars kleed, rode mantel en met opgeheven gesel, is de centrale figuur. Links van Hem zit- ten aan een tafel de geldwisselaar en de schaapverkoper. Op de achtergrond schuift een nieuwsgierige priester het gordijn open om te zien wat de oorzaak is van het rumoer. De kostuums van de toeschouwers bestaan uit verschillende eigentijdse elementen; zo draagt de Moorse man achter de schaapverkoper een Romeins kuras, een Spaanse broek en een Hollandse baret. Hoog boven op de balustrade zien we ook toeschouwers. Aan de voeten van de buitenste pilaren onder een schenkkan en een gouden kandelaar kunnen met een verrekijker de (niet geheel juiste) Hebreeuwse teksten gelezen worden. De linker tekst betekent: “Het graf van Zacharias” en het rechter: “Het graf van Hanania”. Ook kan men hier door een verrekijker een lantaarn- opsteker ontwaren en geheel rechts het wapen van de gebroeders Crabeth. Het Vidimus, dat in 1937 is teruggevonden, bevindt zich in het Gouds Kerkarchief.
De schenkersrand in het onderste gedeelte werd misschien in de zestiende eeuw dichtgemetseld. Het verhaal gaat, dat de Prins niet naast zijn tweede gade met wie hij een minder gelukkig huwelijk had, vereeuwigd wenste te worden. Het kan ook zijn, dat de vroedschap de beeltenis van de Prins niet wilde tonen, omdat deze in 1568 in opstand was gekomen tegen het wettige gezag. De voorstudie voor de Stichtersrand met de schenkers in knielende houding met hun naamheiligen en wapens bevindt zich in het Amsterdams Historisch museum. In 1657 heeft Daniël Tomberg de wapens van de Goudse vroedschappen erin geplaatst.
De oranjeappeltjes rond de cartouche herinneren nog aan de Prins.
Het antipaapse gedicht, eveneens van 1657, neemt duidelijk enige afstand van de humanistische en verdraagzame traditie die de negen glazen na de Reformatie (1594-1604) weerspiegelen: “Mente coli puraque Deus cupit aede profani / Este procul, facto verbere, Christus ait./ Sola patent precibus sacrati limina templi / Hinc odor, hinc pecudes, aera, columba, popae / Pontifices sic. Roma, tuos ritusque senatus / Abdicat, hoc posito stemmate signa probant. ” (God begeert dat men Hem met een zuiver hart en in een gewijde tempel zal eren / Christus, met een gemaakte gesel zegt de goddelozen aan: Ver van Zijn kerk voortaan te gaan verkeren,/ Des gewijden tempels drempels alleen voor gebeden open staan./ Van hier dan, stank, vee, geld, duiven en papen!/ Dat de Raad zo uw priesters en eredienst verwerpt / Dit, Rome, toont elk lid hier door zijn eigen wapen).

Schenkers:

Prins Willem van Oranje, als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht en zijn tweede vrouw Anna van Saksen zijn de schenkers. Kort na zijn schenking leidde de Prins de opstand tegen Philips II en moest hij het land tijdelijk ontvluchten.

Samenhang:

Zie glas 8

Glazenier & Ontwerper:

Dirck Crabeth naar eigen ontwerp (boven) en Daniël Tomberg (onder), zie ook glas 10.

Maten van het glas:

Hoog 13.50 m ; breed 4.60 m.

 zie details die vanaf de kerkvoer niet waarneembaar zijn

kijk rond en zie hoe groot de glazen zijn