Glas 6 | Judith onthoofdt Holofernes (1571)

Noorderzijbeuk

Voorgesteld is de geschiedenis van Judith en Holofernes, ontleend aan het (apocriefe) bijbelboek Judith (Judith 7-13).

Het verhaal van Judith had tot doel de trouw van God aan Zijn uitverkoren volk van Israël te bewijzen. Holofernes, de veldheer van Nebucadnezar, belegert Bethulië, de toegang tot Judea. Hij sluit de stad van alle watertoevoer af, zodat de inwoners van dorst bezwijken. Toen de stad bereid was tot overgave, bood de weduwe Judith aan de stad te redden als men haar met haar dienstmeisje de poort liet uitgaan. Zij verleidt de veldheer, voert hem dronken en onthoofdt hem met zijn eigen zwaard. Op de voorgrond zien we de tent van Holofernes, de gedekte tafel en daarvoor zijn onthoofde lichaam. De tent is zeer rijk versierd, evenals het harnas en de helm. Rechts van de tent Judith met het zwaard en haar dienstmaagd met het hoofd.

Op de achtergrond de stad Bethulië met de tenten van de belegeraars, die bezig zijn bier te drinken, brood te bakken en vlees te braden. Rechts van de belegerde stad, Achior die Holofernes voor de Israëlieten had gewaarschuwd, vastgebonden aan een boom. Links boven bij het kleurige tentdek ziet men beide vrouwenfiguren veel kleiner herhaald, terugkeren aan de poorten van Bethulië. Holofernes’ hoofd is gespietst op een staak aan één van de torens. Hoog in het glas zien we het leger van Israël.

Dirck Crabeth toont zich als een typische verhalende glasschilder. In het glas zijn de verschillende episodes van het verhaal afgebeeld. Het is zijn laatste glas en tevens het laatste glas dat in de katholieke periode geplaatst is. Immers in 1572 gaat Gouda over naar prins Willem van Oranje.

In het onderste deel zijn de portretten van de schenkers weergegeven met hun beschermheiligen Johannes de Doper en de heilige Catharina. De Doper, centraal met het lam en het kruis, is in dit glas een opvallend grote devote gestalte. Jean de Ligne is getooid met de leeuwen van Barbançon (vaders zijde) en het Gulden Vlies. Zijn echtgenote draagt een gravinnenkroon; achter haar staat de heilige Catherina met haar attributen, het gebroken rad en het zwaard. Zij zou, aldus de legende, aan het begin van de vierde eeuw onder de Romeinse keizer Maxentius zijn veroordeeld om te worden gemarteld. Een engel wist dit te voorkomen door het rad te breken, waarna zij met het zwaard werd onthoofd. Boven de schenkers zijn hun eigen wapens en naast hen die van hun voorouders afgebeeld. Beiden hebben 16 wapenkwartieren.

Noorderzijbeuk

Voorgesteld is de geschiedenis van Judith en Holofernes, ontleend aan het (apocriefe) bijbelboek Judith (Judith 7-13).

Het verhaal van Judith had tot doel de trouw van God aan Zijn uitverkoren volk van Israël te bewijzen. Holofernes, de veldheer van Nebucadnezar, belegert Bethulië, de toegang tot Judea. Hij sluit de stad van alle watertoevoer af, zodat de inwoners van dorst bezwijken. Toen de stad bereid was tot overgave, bood de weduwe Judith aan de stad te redden als men haar met haar dienstmeisje de poort liet uitgaan. Zij verleidt de veldheer, voert hem dronken en onthoofdt hem met zijn eigen zwaard. Op de voorgrond zien we de tent van Holofernes, de gedekte tafel en daarvoor zijn onthoofde lichaam. De tent is zeer rijk versierd, evenals het harnas en de helm. Rechts van de tent Judith met het zwaard en haar dienstmaagd met het hoofd.

Op de achtergrond de stad Bethulië met de tenten van de belegeraars, die bezig zijn bier te drinken, brood te bakken en vlees te braden. Rechts van de belegerde stad, Achior die Holofernes voor de Israëlieten had gewaarschuwd, vastgebonden aan een boom. Links boven bij het kleurige tentdek ziet men beide vrouwenfiguren veel kleiner herhaald, terugkeren aan de poorten van Bethulië. Holofernes’ hoofd is gespietst op een staak aan één van de torens. Hoog in het glas zien we het leger van Israël.

Dirck Crabeth toont zich als een typische verhalende glasschilder. In het glas zijn de verschillende episodes van het verhaal afgebeeld. Het is zijn laatste glas en tevens het laatste glas dat in de katholieke periode geplaatst is. Immers in 1572 gaat Gouda over naar prins Willem van Oranje.

In het onderste deel zijn de portretten van de schenkers weergegeven met hun beschermheiligen Johannes de Doper en de heilige Catharina. De Doper, centraal met het lam en het kruis, is in dit glas een opvallend grote devote gestalte. Jean de Ligne is getooid met de leeuwen van Barbançon (vaders zijde) en het Gulden Vlies. Zijn echtgenote draagt een gravinnenkroon; achter haar staat de heilige Catherina met haar attributen, het gebroken rad en het zwaard. Zij zou, aldus de legende, aan het begin van de vierde eeuw onder de Romeinse keizer Maxentius zijn veroordeeld om te worden gemarteld. Een engel wist dit te voorkomen door het rad te breken, waarna zij met het zwaard werd onthoofd. Boven de schenkers zijn hun eigen wapens en naast hen die van hun voorouders afgebeeld. Beiden hebben 16 wapenkwartieren.

Schenkers:

Margaretha van der Marck, de gravin van Arenberg, die in de noordelijke Nederlanden bezittingen had, liet ondanks dat haar man was overleden, het glas alsnog plaatsen. Het verhaal van Judith lijkt mede bepaald door de persoonlijke wens van de weduwe. De gelovige en strijdbare Judith was immers eveneens een jonge weduwe.

Aanvullende informatie over de schenkers vindt u op WikiPedia (klik)

Samenhang:

De Ligne glazen: Glas 6 is het pendant van glas 24 dat er recht tegenover staat. Beide Glazen weerspiegelen de beproevingen van het geslacht De Ligne in de strijd voor de Spaanse koning Philips II. Jean, een verre neef van Philippe, behoorde tot de oudste Ligne-stam. Hij was o.m. heer van Barbançon en tevens stadhouder van Philips II in de noordelijke provincies en ridder van het GuldenVlies. Jean de Ligne, Graaf van Arenberg, sneuvelde in de slag van Heiligerlee in 1568 tegen Lodewijk van Nassau. Philippe raakte tien jaar eerder ernstig gewond in de slag bij Grevelingen.

Glazenier & Ontwerper:

Dirck Crabeth heeft het glas naar eigen ontwerp gemaakt.Van dit glas bestaat nog het “Vidimus” of eerste ontwerp (het woord vidimus, ofwel “wij hebben gezien”, werd gebezigd vanaf het moment dat de schenker het ontwerp goedkeurde en dus “voor gezien” verklaarde). Het behoort tot de collectie van het Albertina Museum te Wenen. Het is het laatste glas van de meester in de Sint Janskerk. Artistiek een hoogtepunt in realisme en kleurengamma.

Maten van het glas:

Hoog 11.26 m ; breed 4.78 m.

 zie details die vanaf de kerkvoer niet waarneembaar zijn

kijk rond en zie hoe groot de glazen zijn