Glas 58 | De gevangenneming (1556)

Van der Vorm Kapel

In het landschap dat de hof van Gethsemané voorstelt, staan rechts op de voorgrond Jezus en Judas, die Hem kust.

Judas heeft de geldzak met de dertig zilverlingen nog in zijn hand. Eén van de soldaten staat klaar om een touwlus om Jezus heen te werpen, terwijl anderen Hem vastgrijpen.

Links de apostel Petrus die de slaaf van de hogepriester, Malchus, zijn oorschelp afslaat. Verder weg in het landschap snelt links een naakte jongeman voort met zijn wapperende kleed achter zich aan. Hij wordt achtervolgd door een soldaat (Marcus 14: 43-52). Rechts hiervan vluchten de discipelen weg.

In de benedenrand zijn de portretten van de schenkers en hun familiewapens afgebeeld. De mannen dragen als overkleed een met bont gevoerde tabbaard met kraag, de vrouwen een overkleed dat geheel het hoofd omhult, een zogenaamde huik of falie. In de hand houden zij een rozenkrans die bij de zoom van het kleed is samengebonden door een bolvormig sieraad, pomander genoemd; deze bevatte reukstoffen. De kariatiden met ontblote borst, die in alle Kapelglazen zijn afgebeeld, verwijzen mogelijk naar de symbolen van straf en schaamte in verband met de rechtspraak door Pilatus. Deze symbolen zijn bijvoorbeeld ook weergegeven bij de oude rechtbank in het paleis op de Dam te Amsterdam.

Van der Vorm Kapel

In het landschap dat de hof van Gethsemané voorstelt, staan rechts op de voorgrond Jezus en Judas, die Hem kust.

Judas heeft de geldzak met de dertig zilverlingen nog in zijn hand. Eén van de soldaten staat klaar om een touwlus om Jezus heen te werpen, terwijl anderen Hem vastgrijpen.

Links de apostel Petrus die de slaaf van de hogepriester, Malchus, zijn oorschelp afslaat. Verder weg in het landschap snelt links een naakte jongeman voort met zijn wapperende kleed achter zich aan. Hij wordt achtervolgd door een soldaat (Marcus 14: 43-52). Rechts hiervan vluchten de discipelen weg.

In de benedenrand zijn de portretten van de schenkers en hun familiewapens afgebeeld. De mannen dragen als overkleed een met bont gevoerde tabbaard met kraag, de vrouwen een overkleed dat geheel het hoofd omhult, een zogenaamde huik of falie. In de hand houden zij een rozenkrans die bij de zoom van het kleed is samengebonden door een bolvormig sieraad, pomander genoemd; deze bevatte reukstoffen. De kariatiden met ontblote borst, die in alle Kapelglazen zijn afgebeeld, verwijzen mogelijk naar de symbolen van straf en schaamte in verband met de rechtspraak door Pilatus. Deze symbolen zijn bijvoorbeeld ook weergegeven bij de oude rechtbank in het paleis op de Dam te Amsterdam.

Schenkers:

Jan Gerritsz. Heye (1513-1574) en zijn echtgenote Lucia Pauw. Heye was meerdere malen burgemeester van Gouda, o.a. in 1553 en 1554 toen het Regulierenklooster vanuit Stein, dichtbij Gouda aan de IJssel, naar de stad Gouda werd verplaatst. Hij was betrokken bij de bouw van de kloosterkapel. Het geslacht Heye had meerdere bestuurders aan Gouda geleverd (vgl. glas 18).

Aan het geslacht is Erasmus’ naam verbonden. Als jonge monnik van genoemd convent in Stein werd Erasmus vaak door een zekere Bertha (de) Heye(n) gastvrij ontvangen. Omstreeks 1490 schreef hij te harer ere een lijkrede.
Heye moest als trouwe volgeling van Spanje in 1572 vluchten naar Utrecht. In 1574 was hij betrokken bij een poging Gouda onder het gezag van Philips II terug te brengen.
De laatste prior van het klooster, Wouter Jacobszoon, vluchtte in 1572 naar Amsterdam en schreef daar zijn beroemde dagboek over de jaren van strijd tegen de Spanjaarden in Holland in de periode 1572-1578.

Meer informatie over Jan Gerritsz. Heye vindt u op WikiPedia

Samenhang:

De zeven glazen in de Van der Vormkapel zijn afkomstig uit het klooster der Regulieren aan de Raam in Gouda. Voordien was het convent gevestigd in het land van Stein. Erasmus verbleef daar van 1486 – 1491. Het klooster werd in 1577 aan de stad toegewezen. Bij de sloop in 1580 werden de glazen in de nog lege vensters 20 en 21 geplaatst aan de zuidkant van het koor. Ofschoon de zeven Glazen ook in artistiek opzicht niet detoneerden, vormden zij op deze wijze toch een verward en gedrongen geheel. Tijdens de restauratie werd hieraan een einde gemaakt. Nadat de sponsor Willem van der Vorm eerst de restauratie had betaald, maakte hij het ook mogelijk om in 1934 aan de noordoostzijde van het koor een kapel aan de kerk te laten bouwen. Hierdoor konden deze glazen beter tot hun recht komen, wat trouwens een voorwaarde van de financier was.

Opvallend is, dat de schenkers in de glazen 58 tot en met 61 naar rechts kijken en in de overige Glazen naar links. Allen in de richting van het altaar. Mede hierdoor wordt aangenomen, dat het oorspronkelijke plan voor de kloosterkapel meerdere glazen bevatte: (wanneer men naar de glazen staat toegekeerd) in het centrum de kruisiging met links daarvan mogelijk nog één glas en rechts nog twee extra Glazen om het geheel te completeren.

Bijbels citaat:

“Tamquam ad latronem existis comprehendere/me? Quotidie eram apud vos in templo/docens et non me tenuistis. Sed/hic est hora vestra et potestas tenebrarum.” (Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken om Mij gevangen te nemen? Terwijl Ik dagelijks bij u was in de tempel om te onderwijzen hebt gij geen hand naar Mij uitgestoken. Maar dit is uw ure en de macht der duisternis (Luc. 22: 52 en 53)).

Glazenier & Ontwerper:

Medewerker(s) uit de werkplaats van Dirck Crabeth, naar ontwerp van de meester.

Maten van het glas:

Hoog 4.00 m ; breed 1.20 m.

 zie details die vanaf de kerkvoer niet waarneembaar zijn

kijk rond en zie hoe groot de glazen zijn